G e n d e r s t i c h t i n g

Groter Lettertype

A+ | A- | Reset

Fotogalerij

chatten en e- mailen

chat - en
e-mailaanbod

Tips bij journalistiek

leidraad
voor journalisten

GID bij kinderen PDF Afdrukken E-mail
Wednesday, 25 April 2007

Genderontwikkeling

Het wezenlijke verschil tussen sekse en gender werd hier reeds uitgelegd. De sekse, of het fysieke geslacht van een kind wordt uiteraard reeds bepaald in de moederschoot. Maar ook de ontwikkeling van de gender of het identiteitsgevoel van een kind start reeds in de baarmoeder. Hormonen spelen niet alleen een rol bij de ontwikkeling van het geslacht van een kind, ze hebben ook hun invloed op de hersenen van de ongeborene. Er is reeds aangetoond dat seksehormonen een invloed hebben op de mannelijke of vrouwelijke organisatie van de hersenen en op het genderrol gedrag op latere leeftijd. Dit neemt niet weg dat ook omgevingsfactoren van groot belang zijn in de ontwikkeling van typisch genderrolgedrag.

Een kind start al op jonge leeftijd met het leren over gender. Onderzoek wijst uit dat baby's van 9 maanden reeds in staat zijn een onderscheid te maken tussen het gezicht van een man en dat van een vrouw. Twee maanden eerder al, zijn ze in staat het onderscheid tussen een mannenstem en een vrouwenstem te maken. Ze zijn dan echter nog niet in staat het verschil tussen de seksen te begrijpen, dit komt pas op de leeftijd van 2,5 à 3 jaar. Ze begrijpen eerder het verschil in sekse bij volwassenen, dan bij kinderen. Ze doen dit niet op basis van seksespecifieke karakteristieken (bv. borsten), maar wel op basis van haartooi of klederdracht. Pas op de leeftijd van 5 tot 7 jaar maken ze eenduidig gebruik van specifieke seksekenmerken om een onderscheid te maken tussen beide geslachten. Het leren over seksen verloopt in een drietal fases: In een eerste fase slagen ze er in hun eigen geslacht en dat van anderen te identificeren. Daarna leren ze dat het geslacht stabiel is en niet verandert na verloop van tijd, om tenslotte tot de vaststelling te komen dat het geslacht permanent is en niet meer kan veranderd worden door externe factoren. (door met barbies te spelen en in bed te kruipen met een pruik op, word je 's morgens niet wakker als meisje).

Het idee dat ze hebben over beide geslachten is wel behoorlijk stereotiep. In onderzoek werd vastgesteld dat 3-jarige kinderen andere kinderen, die hen als jongentjes worden voorgesteld, bestempelen als: sterk, slim, luid, hard, groot en snel. De kinderen die hen als meisje in deze test werden voorgesteld, kregen labels als: zwak, stil, bang, klein en traag (Cohen -Kettenis & Pfäfflin, 2003). Pas na de leeftijd van 7 jaar, worden kinderen al iets flexibeler in hun stereotyperingen.

Kinderen leren veel over de verschillen in gender, door de observatie van rolmodellen. Ouders, andere volwassenen, leraren, seksegenootjes en media hebben allen hun invloed. Ouders gaan (on)bewust anders om met jongens dan met meisjes. Vooral vaders lijken spelgedrag passend bij de sekse van het kind sterk te stimuleren en dat al van op jonge leeftijd. Leraren blijken hun aanpak van de kinderen te laten afhangen van de sekse. Seksegenootjes stimuleren (spel)gedrag van hun soort en keuren dat van de andere sekse af. Meisjes hebben vaker een beste vriendin en spreken intiemer met hen. Jongens hebben minder vaak een beste vriend en spelen meer in grote groepen, waar hun status in de groep belangrijk is. Het grootste deel van hun kindertijd brengen kinderen met seksegenootjes door. Pas vanaf de puberteit komt er meer interesse voor de andere sekse.

Via heel wat kanalen leren kinderen dus over gender en sekse. Ze voelen zich een jongen of een meisje en gedragen er zich ook naar. Maar wat als dat niet zo is?

Atypische genderontwikkeling bij kinderen

Jongens die spelen met barbie, hun moeder nadoen, zich het liefst als fee omkleden of een voorkeur hebben voor spelletjes met meisjes. Meisjes die liever stoere jongensspelletjes spelen, voetballen, hun haar liever kort dragen of minder graag kleedjes dragen. Het komt voor. Dit hoeft niet meteen problematisch te zijn. Er zijn nog kinderen die dit doen.

Maar wat als kinderen langdurig, permanent en op meer dan één vlak gedrag van de andere sekse gaan vertonen? Wanneer kun je spreken van een ernstige genderthematiek bij een kind of jongere? Onderstaande lijstjes geven een aantal criteria weer die kunnen helpen om dit te bepalen (E. Schijf, 1999)

Genderdysfore meisjes:

  • Zeggen soms dat ze zich een jongen voelen
  • Zeggen soms dat ze een jongen zijn
  • Zijn in hun fantasie een jongen
  • Hebben mannelijke helden
  • Willen staande plassen of doen alsof ze een piemel hebben
  • Hebben er een hekel aan als hun borsten beginnen te ontwikkelen of als ze gaan menstrueren.
  • Spelen bij voorkeur met jongenspeelgoed
  • Spelen het liefst met jongens en vinden meisjes maar trutachtig
  • Kleden zich het liefst jongensachtig
  • Willen geen jurk aan, ook niet bij speciale gelegenheden
  • Willen hun haar het liefst kort geknipt dragen
  • Doen hun vader of broer na
  • Bewegen of praten jongensachtig

Genderdysfore jongens:

  • Zeggen soms dat ze zich een meisje voelen
  • Zeggen soms dat ze een meisje zijn
  • Zijn in hun fantasie een meisje
  • Identificeren zich met vrouwelijke helden
  • Willen zittend plassen
  • Hebben een hekel aan hun piemel en verstoppen die tussen hun benen
  • Haten het als ze erecties beginnen te krijgen en overal vervelend haar krijgen
  • Spelen bij voorkeur met meisjesspeelgoed
  • Spelen het liefst met meisjes en vinden jongens veel te stoer of te wild
  • Kleden zich het liefst meisjesachtig
  • Willen hun haar het liefst lang dragen
  • Doen hun moeder of zus na
  • Bewegen of spreken meisjesachtig


Niet alle items hoeven van toepassing te zijn. Zo kan een jongentje een voorkeur hebben voor het spelgedrag van meisjes, zich graag als meisje kleden, maar zich wel een jongentje voelen en geen afkeer hebben van zijn piemeltje. Dit geldt uiteraard ook voor meisjes. Meisjes hebben meestal een minder grote afkeer van hun lichaam dan jongens, maar zijn meer geobsedeerd door het hebben van een penis.

Hoe op dit zogenaamde cross-sekse gedrag van het kind gereageerd wordt, hangt van verschillende factoren af. In de eerste plaats lijkt er een verschil te zijn tussen jongens en meisjes. Het cross-sekse gedrag dat meisjes vertonen wordt vaak makkelijker getolereerd dan dat van jongetjes. Meisjes die zich wat stoerder voor doen, wilde spelletjes spelen, met andere jongens optrekken worden minder snel berispt. Men vindt dit eerder een uiting van zelfvertrouwen, van karakter. Jongens die zich meisjesachtig voordoen worden hier sneller op aangesproken. Men vindt dit wat mietjesachtig, ongepast of een teken van zwakte. Hierin lijken ook verschillen te bestaan tussen vaders en moeders: vaders hebben het meestal wat moeilijker om het meisjesachtige gedrag van hun zoon te aanvaarden, dan moeders.
Het cross-sekse gedrag van het kind kan in die mate aanwezig zijn, dat ouders vinden dat ze erop moeten reageren of er een standpunt moeten rond innemen. Gaan ze dit gedrag van hun kind tolereren? Indien ja, tot op welke hoogte? Moet het binnenskamers blijven? Gaat men ermee naar buiten treden? Gaat men hulp zoeken hiervoor? Of gaat men het gewoon verbieden in de veronderstelling dat het daarmee wel opgelost geraakt?

Een verbod door de ouders op bijv. omkleden kan het meestal wel openlijk doen verdwijnen, maar het verlangen blijft meestal... Dit verlangen kan heimelijk sterk blijven bestaan, hoewel ontkend door het kind zelf. Het kind probeert zich dan zo veel mogelijk te schikken naar de verlangens van zijn ouders. Vaak komt dat verlangen in de puberteit opnieuw sterk naar boven, wanneer men geconfronteerd wordt met een lichaam dat begint te evolueren in een richting die men absoluut niet wil. Verbieden dus beter niet. Maar zelfs al slaagt men erin om het kind hierin niets te verbieden, het genderdysfore gedrag van kinderen kan tot problemen leiden.

Ouders kunnen het emotioneel moeilijk hebben om met dit gedrag van hun kind om te gaan. De omgeving kan afwijzend reageren. De kinderen zelf kunnen sterk lijden onder het inzicht dat ze nooit het geslacht van hun verlangen zullen worden. Ze kunnen uiteraard ook door andere kinderen ernstig geplaagd of gepest worden met hun manier van doen. Ze kunnen zich uit bescherming hiertegen terugtrekken, waardoor ze in een sociaal isolement terecht komen, depressief gedrag gaan vertonen en hun schoolresultaten er beginnen onder te lijden. Gepest worden blijkt trouwens één van de grootste problemen te zijn waarmee kinderen zich geconfronteerd weten. Ook hier is er weer een duidelijk verschil tussen jongens en meisjes, meisjes worden duidelijk minder gepest dan jongens.

Hulpverlening

Indien het gedrag van het kind in die mate is dat er ernstige problemen uit voortkomen, is zeker het moment aangebroken om professionele hulp hiervoor te zoeken. Wanneer men zich tot een hulpverlener wendt die gespecialiseerd is in genderklachten bij kinderen, hoeft dit nog niet meteen te betekenen dat het kind later per definitie transseksueel wordt en dus van geslacht zal veranderen. De overgrote meerderheid van de kinderen die zich in gespecialiseerde centra aanmelden blijken later een homoseksuele voorkeur te hebben. Een klein deel van hen blijkt bij heraanmelding in de puberteit effectief te voldoen aan de criteria voor transseksualiteit. Twee recente onderzoeken spreken over cijfers van 20% van het totaal aantal kinderen dat ook op latere leeftijd (16 jaar) daadwerkelijk in aanmerking komt voor een diagnose van genderidentiteitstoornis (Zucker & Bradley, 1995; Cohen-Kettenis & Pfäfflin, 2003).

Gezien de ervaren problemen kan hulpverlening sowieso aangewezen zijn. Dit betekent echter niet dat men kan voorspellen of de genderdysfore gevoelens bij het kind zullen verdwijnen of blijvend zullen zijn. Wanneer gestart wordt met begeleiding zal die zich niet alleen toespitsen op het werken met het kind of de jongere zelf. Er dient evenzeer belang gehecht te worden aan de rest van het gezin.

De hulpverlening zal uiteraard bestaan uit diagnostisch werk: nagaan of en in hoeverre er sprake is van genderdysforie (ook: uitsluiten van lichamelijke factoren) en zicht krijgen op factoren die het gendervariante gevoel hebben beïnvloed of bestendigen. Daarnaast zal men ook de cognitieve mogelijkheden van het kind, de socio-emotionele mogelijkheden en de schoolse vaardigheden evalueren. Er wordt gewerkt aan het weerbaarder maken van het kind aan het opheffen van stressfactoren en het opheffen van obstakels die de verdere ontwikkeling van het kind in de weg (kunnen) staan.

Daarnaast worden ook de ouders en/of de rest van het gezin gezien. In de eerste plaats wordt dan nagegaan of het cross-gendergedrag van het kind beïnvloed wordt door gezinsrelationele aspecten en in hoeverre het cross-gendergedrag van het kind een invloed heeft op het functioneren van het gezin. Zelfs al draait een gezin met een gendervariant kind goed, toch kan een gesprek met de ouders aangewezen zijn. Het kan dan bijvoorbeeld gaan over praktische en/of emotionele aspecten. Misschien is er schaamte bij de ouders, broers of zussen omwille van het gedrag van het kind/jongere? Misschien is er een conflict tussen de ouders over het omgaan met het genderdysfore gedrag van het kind, wat bij het kind dan weer tot schuldgevoelens kan leiden. Het kan ook gaan om praktische aanbevelingen, zoals het trekken van grenzen over wat kan en wat niet kan (bijv. omkleding thuis is oké, omkleden op school kan niet, gezien de grote kans op pesten).

Het is pas vanaf de puberteit dat er eventueel gestart wordt met medische behandeling. Daarvóór bestaat de hulp dus voornamelijk uit diagnostisch werk en het begeleiden van de kinderen en ouders in het omgaan met de gendervariante gevoelens en de problemen die daaraan gerelateerd zijn.

In welafgewogen en individueel bepaalde gevallen, kan worden gestart met hormonenremmers en dit vanaf het intreden van de puberteit. Het toedienen van hormonenremmers kan ten allen tijde worden stopgezet en de effecten hiervan zijn omkeerbaar. Men komt hiervoor slechts in aanmerking indien:

  • Men gedurende de kindertijd een intens een aanhoudend cross-gendergedrag en cross-genderidentiteit heeft gedemonstreerd
  • Dit gevoel is alleen maar toegenomen met het intreden van de puberteit
  • De familie stemt in met behandeling en neemt deel aan de begeleidende therapie

Deze puberteitsremmers worden niet gezien als een 1ste stap tot geslachtsomschakeling maar als een hulp bij de diagnose. De zogenaamde real life experience is hierbij een vereiste. (Cohen-Kettenis & Pfäfflin, 2003).

Overschakelen naar hormonen die de verlangde geslachtskenmerken induceren kan pas gebeuren vanaf de leeftijd van 16 jaar. De effecten van deze hormonen zijn na verloop van tijd onomkeerbaar. Geslachtsoperatie pas vanaf 18 jaar, of indien de hormoonsubstitutietherapie pas later dan de leeftijd van 16 jaar aanvangt, slechts na een periode van 2 jaar real-life test.

Aan deze behandeling zijn een aantal argumenten verbonden.

  • Pleiten tegen:
    de puberteit is sowieso een turbulente periode waarin het ontwikkelingsproces nog volop aan de gang is, ook de zoektocht naar een eigen (gender)identiteit
  • Pleiten voor:
    lichamelijke kenmerken zijn nog niet volledig ontwikkeld; door deze vroegtijdig te onderdrukken stijgt de passabiliteit als iemand van het andere geslacht sterk.
    de emotionele, cognitieve en sociale ontwikkeling wordt op deze manier niet onderbroken.

Voor zij die niet in aanmerking komen voor medische behandeling (vanuit bijv. een genderverwarring of andere factoren dan een echte genderidentiteitstoornis), kan therapie om te leren omgaan met deze gevoelens, sterk aangewezen zijn. Zo kan er bijv. gewerkt worden aan het leren zicht krijgen op stressfactoren die leiden tot de drang naar omkleden en hier op een andere manier mee leren omgaan.

Het blijkt in elk geval dat, of er nu sprake is van echte en ernstige genderklachten of niet, kinderen en jongeren met genderidentiteitstoornissen, baat hebben bij psychologische begeleiding (Cohen-Kettenis & Pfäfflin, 2003).

  • De inauguratierede van P.T. Cohen-Kettenis, uitgesproken bij haar benoeming tot hoogleraar Medische Psychologie aan de VUmc (geslachtoffers), met veel verwijzingen naar de begeleiding en behandeling van kinderen en jongeren met genderdysfore klachten, vind je hier
  • Het verhaal van een meisje dat liever een jongen wil zijn, kun je hier lezen (pdf)
  • In het Radioprogramma ‘Dubbel-O’ van de RVU (Ndl), komen Valentijn en zijn/haar moeder plus een psychologe van de VU in A’dam aan het woord. Uitgezonden op 23 juni 05 en te herbeluisteren via de website van de RVU (breedbandverbinding aangewezen)

  • De VPRO zond op 4 december ‘05 in het Tv-programma Vreemde E.E.N.D. het verhaal uit van Luus. Luus is 10 jaar en werd geboren als Lucas. Van jongen naar meisje. De uitzending is nu te zien op de website van de VPRO (realplayer nodig).

  • Op de website van de Vlaamse Genderkring is sinds kort een forum te vinden voor ouders van genderkinderen. Het uitwisselen van ervaringen met andere ouders via dit forum staat hierbij centraal. Aanmelden op het forum is vereist. Dat kan op het forum zelf of via de verantwoordelijke hiervoor.
            Ga naar de website van de VGK
           
            Dit e-mailadres wordt beschermd tegen spam bots, u heeft Javascript nodig om het te bekijken voor het forum om u aan te melden